Relatie burger overheid
De relatie tussen burger en overheid
‘Maar vorstelijke oren willen de waarheid helemaal niet horen, zegt nu misschien iemand, en zij ontvluchten de wijzen juist omdat ze bang zijn dat er onder hen een vrijmoedig man is die eerder ware dan aangename dingen durft te zeggen. En zo is het inderdaad: koningen haten de waarheid’
Desiderius Erasmus
De relatie tussen de overheid en het publiek is sterk aan het veranderen. Dit bleek mede uit een reeks interviews voor de commissie-Wallage met de directeuren voorlichting van alle ministeries van de Nederlandse overheid. Waar voorheen de directie voorlichting de arena was van de persvoorlichters, is de directie voorlichting steeds meer een ‘wegwijzer’ aan het worden voor de ‘zoekende’ burger. De versnippering van de media in verschijningsvormen en de kwantiteit aan media-uitingen maken het onmogelijk om één gezicht van de overheid naar de burger te brengen. De burgers ‘zien’ naast de diversiteit aan beelden in de verschillende media ook ‘meerdere overheden’: de agent op straat, de gemeenteraad, de provinciën, de Tweede Kamer enz. Daarbij is de overheid de laatste jaren sterk gedecentraliseerd. Dat bemoeilijkt eenvormigheid in communicatie nog verder.
Naast de toenemende transparantie wacht de burger niet meer passief op nieuws: waar vroeger de media gebonden waren aan tijd en ruimte (‘de ochtendkrant aan huis’), is daar nu een veelheid aan bronnen op elk moment van de dag voorhanden (spatio-temporale scheiding van informatie). In de trein ligt een gratis nieuwsmagazine, de radio in de auto brengt nieuws, op het werk kan men vaak op Internet over nieuws beschikken, wellicht is men geabonneerd op een wekelijks opinietijdschrift. De aard van deze media verandert ook, en maakt van de burger een redacteur: de moderne burger bepaalt zelf wel welke informatie hij of zij tot zich neemt. Daarnaast verandert ook de rol van de traditionele media: uit concurrentieoverwegingen wordt nieuws niet alleen meer vergaard, maar ook gemaakt. Het medium dat echter de meest verregaande impact heeft op de huidige democratie is het wereldomvattende computernetwerk Internet.
Politieke desinteresse
Ondanks het toenemend aantal communicatievormen die contacten tussen overheid en burger mogelijk maken neemt de politieke interesse van burgers af. ‘Actief, maar niet geïnteresseerd’: de leegloop van de meeste Nederlandse politieke partijen en een afnemende opkomst bij verkiezingen doen vermoeden dat de representatieve democratie in een crisis geraakt is (van der Kolk et al, 2001). Het vertrouwen in politici en het politieke stelsel lijkt aan erosie onderhevig, maar deelname aan andere vormen van politiek gedrag en meer directe politieke participatie lijken eerder op een verschuiving van de politiek te duiden.
Participatie in de politiek kan in twee vormen onderscheiden worden; partijpolitieke activiteiten en meer directe activiteiten zoals demonstreren, het ondertekenen van petities, het contact zoeken met bestuurders of het inschakelen van de krant. De laatstgenoemde vorm van participatie concentreert zich vaak rondom concrete onderwerpen, en is in de afgelopen dertig jaar gestaag toegenomen. Opmerkelijk daarbij is dat de trend van afnemende politieke interesse voornamelijk zichtbaar is bij de jongste generaties. Interesse in directe participatie neemt toe bij alle generaties. De jongere generaties lijken hun politieke interesse daarmee op een andere manier tot uitdrukking te brengen.
Politiek is uit, Internet is in
Een aantal citaten uit de media lijken te wijzen op veranderende interesses van burgers in Nederland (maar ook in het buitenland):
‘Politiek is uit, Internet is in’ aldus D66-minister Roger van Boxtel;
‘Het moet bij de overheid echt anders’, zegt minister De Vries;
‘Het openbaar bestuur moet veel meer een plek worden waar kleine sociale activiteiten, overwinningen en activiteiten publieke aandacht krijgen. Voor het zichtbaar maken daarvan zal Internet in de toekomst een veel prominentere en actievere rol kunnen gaan spelen’, zo is te lezen in het politieke essay ‘Een nieuwe lente’ van CDA en Groenlinks wethouders (Jansen & Van der Lans, 2001);
‘Only the net can save politics’ (Ward, 2001).
Deze en andere berichten lijken te duiden op een groeiende belangstelling voor de rol van Internet in de politiek. Aan de ene kant is er een roep om het herstel van de politiek en het herinvoeren van traditionele normen en waarden, aan de andere kant gaat het over ‘vernieuwing’ of ‘revitalisatie’ en worden termen als ‘glasvezeldemocratie’ gebezigd (Van Es & Pols, 2000). Ook de combinatie van beiden komt voor. Alléén marktwerking en liberalisatie kan – in gang gezet door een terugtredende overheid – worden gezien als bron van ‘verschraling’ en ‘kwaliteitsverlies’. Volgens Van Es & Pols kan Internet een belangrijke rol spelen in de betrokkenheid van het publiek bij de politiek en het zichtbaar maken van initiatieven en gedachten.
Stemmen via Internet
Als politiek ‘uit’ is en Internet ‘in’ dan ligt het voor de hand om de voordelen van het één in te zetten bij het ondervangen van de nadelen van het andere. Dat besef leeft onder andere bij de overheid, waar veel onderzoek verricht wordt naar bijvoorbeeld het stemmen via Internet. Dan blijkt de ambigue definitie van ‘democratie’ echter plotseling meer dan actueel: waar ligt de scheidslijn tussen een regerende representatie van het volk of een volk dat zelf regeert? Recent onderzoek van het Electronic-highway Platform Nederland (N., 2001) geeft aan dat ruim 80% van de Tweede Kamerleden voor stemmen via Internet is.
Ook internationaal staat elektronisch stemmen onder de aandacht. Een rapport van het Internet Policy Institute geeft vier conclusies. Ten eerste kunnen op Internet gebaseerde kiessystemen in traditionele stemlokalen voordelen bieden ten opzichte van het traditionele kiesproces. Ten tweede is de volgende stap het oprichten van ‘kies-kiosken’ in publieke ruimten. Ten derde kan het via Internet vanuit een thuis- of werkomgeving stemmen gevaren met zich mee brengen voor de integriteit van het kiesproces. Daartoe moeten eerst sociale en technische issues bestudeerd zijn. Ten vierde kan op Internet gebaseerd stemmen pas plaats gaan hebben als de problemen rondom authentificatie opgelost zijn.
Ook in Nederland worden deze problemen onderkend, zoals beschreven door Svensson en Aarts (2001): ‘Enkele argumenten om het kiezen via Internet voorlopig niet in te voeren zijn: de risico’s van ondoorzichtige en falende technologie, de risico’s van digitale tweedeling in de democratische participatie, en de mogelijke aantasting van het vrij en onbelast stemmen’. Deze argumenten lijken gebaseerd op technische tekortkomingen die wellicht in de toekomst verdwijnen. De argumenten geven echter wel aan dat het elektronisch uit handen geven van democratische principes – of het nu gaat over stemmen of participeren – niet binnen korte termijn te verwachten zijn.
Als de problemen rondom digitaal stemmen opgelost zouden zijn, waarom zouden we dan nog stemmen? ‘De kracht van technologie ligt niet in het stemmen maar in het potentieel om mensen te betrekken in het democratische proces’ zegt John Fisher, directeur van Citizens Online (2000). Maar of het nu over stemmen of over directe participatie in politieke aangelegenheden gaat, beide vormen van democratie vragen nog steeds om betrokkenheid van de burger.
Netwerk democratie en anarchisme
Normaal gesproken wordt eens in de vier jaar een stemming gehouden. Het virtueel stemmen maakt het mogelijk deze termijn te bekorten. Of zelfs te stemmen rondom issues – het referendum. En dat ook nog op verschillende schaalgrootten, variërend van wijk of dorp tot en met provincie of land. Het direct stemmen geeft de netwerkdemocratie enkele anarchistische kenmerken. Frissen (1999) onderscheidt vier elementen in het begrip anarchisme:
Ten eerste is de anarchie zonder centrum. ‘Iets’ of ‘een systeem’ is anarchistisch als het niet vanuit één centrum wordt gereguleerd, gestuurd, geordend.
Ten tweede is de anarchie zonder eigenschappen. ‘Het systeem’ kan niet als geheel worden herkend, maar slechts in afzonderlijke onderdelen. Een samenleving is te zien als ‘een rafelig weefsel’.
Ten derde is ‘het systeem’ zonder voorspelbaarheid. Op het moment dat oorzaken en gevolgen niet meer te onderkennen zijn worden uitkomsten van interventies blootgesteld aan maximale onzekerheid. Pas achteraf is te bepalen wat het effect van de interventie was, ofwel ‘meaning is retrospective’ (Weick, 1979).
Ten vierde is ‘het systeem’ zonder plan, doel of intentie. Spontaniteit, impulsen, zinloosheid en irrationaliteit belemmeren het nastreven van plannen, doelen en intenties. ‘De werkelijkheid is niet het gevolg van een blauwdruk’.
Volgens minister Van Boxtel is democratie ‘per definitie het stroomlijnen van de anarchie’. In tegenstelling tot Frissen (1999) zegt Van Boxtel (2001) dat de staat niet ‘leeg’ raakt, maar ‘gevuld met een andere inhoud’. Hoe de democratie anarchistische trekjes krijgt door de virtualisering van de politiek wordt in het volgende hoofdstuk besproken.
Het is opvallend dat het Internet soms als ‘wondermiddel’ wordt beschouwd als het gaat om het herstel van de traditionele democratie. Vele traditionele processen – zoals de gang naar de stembus – lijken op het eerste gezicht vervangen of tenminste verbeterd te kunnen worden door de inzet van ICT. Dit is een vorm van automatiseren, maar laat tegelijkertijd de vraag waarom de politieke desinteresse toeneemt onbeantwoord. Internet als ‘lapmiddel’ voor het in stand houden van falende democratische principes is naar mijn mening geen wenselijk streven. Internet als bedreiging zien voor diezelfde democratische principes is het andere uiterste. Waar eeuwen geleden geboorte bepalend was voor het behoren tot de sturende elite, werd dat later naast geboorte ook opleiding. Maar ook het kunnen beschikken over informatie. De opkomst van de ICT maakt de informatiesamenleving volwassen, zodat informatie voor iedereen toegankelijker wordt. Dat kan inderdaad van invloed zijn op de fundering van de huidige elitaire bestuurslaag.